De kwaliteit van het Nederlandse zwemwater verbetert nauwelijks. Naast bacteriën en blauwalgen bevatten veel zwemwateren ook chemische stoffen boven de wettelijke norm, maar zwemmers krijgen daar geen informatie over. Dat blijkt uit onderzoek van Natuur & Milieu en Het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW).

De onderzoekers bekeken de kwaliteit van honderden zwemlocaties over de periode 2015-2024. Van de 122 onderzochte stoffen werden bij 35 stoffen de normen overschreden. In 2024 werden in alle onderzochte zwemwateren te veel chemische stoffen gevonden. Tien jaar geleden voldeed nog 22 procent van de wateren aan de chemische normen; nu is dat dus nul procent.

Een stof die opvallend vaak wordt gevonden is imidacloprid, een insecticide dat onder meer in vlooienbanden voor honden zit. De gevonden stoffen verschillen per gebied, zegt Koenraad Backers van Natuur & Milieu. In landelijke gebieden worden vaker bestrijdingsmiddelen uit de landbouw aangetroffen, terwijl in steden verkeer en industrie een grotere rol spelen. Sommige stoffen zijn al jaren verboden, maar blijven in het water aanwezig omdat ze nauwelijks worden afgebroken. PFAS zijn daar een voorbeeld van.

Volgens Backers zit een belangrijk probleem in de manier waarop zwemwater wordt gecontroleerd. Bij officiële zwemlocaties wordt vooral gekeken naar bacteriën zoals E.coli en blauwalgen. Daarmee worden vooral acute gezondheidsrisico's in beeld gebracht. Daardoor kan een zwemlocatie een goede beoordeling krijgen, terwijl er toch te veel chemische stoffen worden aangetroffen. „De overheid meet wel of er chemische stoffen in het water zitten, alleen zijn ze niet verplicht om dat te melden. Maar ze zijn door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) wel verplicht om die stoffen onder de gestelde norm te houden. Nu zijn ze in overtreding en daar gaat Nederland in 2027 op aangesproken worden”, vertelt Backers.

Backers benadrukt dat de aanwezigheid van te veel chemische stoffen niet automatisch betekent dat iemand direct ziek wordt van zwemmen. Wel kunnen zwemmers stoffen binnenkrijgen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid op de langere termijn. Het gaat om stoffen die in verband worden gebracht met kanker, aantasting van het immuunsysteem en verstoring van de hormoonhuishouding. Hoe groot het gezondheidsrisico is, kunnen de onderzoekers niet vaststellen. „Daarvoor is onder meer van belang hoeveel iemand binnenkrijgt en hoelang de blootstelling duurt”, zegt Backers.

De onderzoekers willen geen angst zaaien, maar vinden wel dat zwemmers beter geïnformeerd moeten worden over de totale kwaliteit van het water. Volgens hen is vaak redelijk goed te achterhalen waar stoffen vandaan komen. PAK's zijn bijvoorbeeld gerelateerd aan verbranding en kunnen afkomstig zijn van verkeer en industrie. Voor bestrijdingsmiddelen ligt landbouw als bron voor de hand. Dat betekent niet dat voor iedere locatie de vervuilingsbron al bekend is. De onderzoekers vinden dat de overheid gericht moet zoeken naar de bronnen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat rond een industrieterrein of in een landbouwgebied specifieker wordt gemeten.

De onderzoekers zien verschillende oorzaken van het uitblijven van verbetering. Zo komen stoffen zoals medicijnresten en PFAS via afvalwater in het oppervlaktewater terecht. Ook zijn sommige vergunningen voor industriële lozingen verouderd en niet altijd voldoende afgestemd op wat het watersysteem aankan. „Ergens gaat het niet goed”, zegt Backers. „We weten waar het zit, maar krijgen het organisatorisch niet voor elkaar om het op orde te krijgen.” Ook kosten spelen volgens hem een rol.

De onderzoekers pleiten ervoor dat chemische stoffen structureler onderdeel worden van de beoordeling van zwemwater. Nu wordt er vooral aanvullend onderzoek gedaan wanneer daar een specifieke aanleiding voor is. Daarnaast pleiten ze voor een strengere aanpak.

Auteur

Samenleving

Lotte Jansen — samenleving, Kernblik.