Bij de helft van de vrouwen die door moord of doodslag om het leven komen, is de (ex-)partner de verdachte of dader. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de jaren 2021 tot en met 2025. Onder vrouwen tussen de 20 en 60 jaar ligt dat percentage zelfs op 63 procent.
Het patroon is stabiel: al vijftien jaar is bij de helft van de omgebrachte vrouwen een voormalige of huidige partner de verdachte of dader. In veel andere gevallen zijn vrouwelijke slachtoffers gedood door een familielid (18 procent) of een kennis (16 procent). Bij 9 procent van de vrouwen ging het om een voor het slachtoffer onbekende dader.
Het CBS benadrukt dat het geen onderscheid kan maken tussen doodslag en moord, omdat op het moment van inventariseren van de rechtbankdossiers in veel gevallen nog geen uitspraak is gedaan door de rechter. Ook wordt geen onderscheid gemaakt tussen verdachten en daders.
Uit de cijfers over 2025 blijkt dat het aantal mensen dat in Nederland om het leven is gebracht opnieuw is afgenomen. Met 103 doden – 65 mannen en 38 vrouwen – ging het om 17 personen minder dan in 2024. Het is het laagste aantal sterfgevallen door moord en doodslag sinds het begin van de registratie in 1996, toen er nog 240 slachtoffers vielen.
De afname geldt voor zowel mannen als vrouwen, al is het aantal mannelijke slachtoffers sterker gedaald. Met 65 gedode mannen kwam het aantal vorig jaar uit op het laagste niveau in dertig jaar. Bij mannen was de vermoedelijke dader in bijna 30 procent van de gevallen een kennis. Bij 11 procent ging het om een afrekening in het criminele circuit.
Het CBS houdt ook bij hoeveel kinderen jonger dan 10 jaar om het leven zijn gekomen door moord of doodslag. In de afgelopen vijf jaar ging het om 24 kinderen: 13 jongens en 11 meisjes. In 20 gevallen is de vader of moeder de verdachte of dader.
In Rotterdam vielen de afgelopen vijf jaar de meeste slachtoffers door moord en doodslag, 65 in totaal. Amsterdam volgt met 62 omgebrachte mannen en vrouwen. In Den Haag ging het in diezelfde periode om 36 omgebrachte personen, in Utrecht om 12. In de provincies Friesland en Flevoland vielen de minste slachtoffers.