De grootste uitdaging op de Nederlandse arbeidsmarkt is niet langer alleen het aan het werk krijgen van meer mensen. Volgens het UWV moeten ook de mensen die al werken wendbaarder worden, zodat zij bij baanverlies sneller een nieuwe baan kunnen vinden. UWV-bestuurder Judith Duveen zegt: «We lossen de tekorten niet alleen op door meer mensen aan het werk te krijgen, maar ook door de mensen die al werken wendbaarder te maken.»
De arbeidsparticipatie in Nederland is historisch hoog, blijkt uit het jaarlijkse rapport over de arbeidsmarkt dat het UWV publiceert. Bijna driekwart van de mensen die kunnen werken doet dat ook. Toch zijn er tekorten: voor de helft van de openstaande vacatures is het lastig om personeel te vinden. Tegelijk neemt het aandeel hoogopgeleiden met een WW-uitkering toe. Volgens Duveen heeft die groep van oudsher weinig moeite met het vinden van een nieuwe baan, «maar dat verandert».
Opvallend is dat steeds vaker mensen uit de ICT-sector werkloos zijn, terwijl die sector kampt met grote tekorten. Ook voor sommige technische beroepen loopt de werkloosheid op. Duveen spreekt van een mismatch tussen wat mensen kunnen en waar bedrijven naar zoeken. Het toenemende aantal hoogopgeleiden met een WW-uitkering komt deels doordat Nederland meer hoogopgeleiden telt dan voorheen. Ook kunstmatige intelligentie speelt een rol: in verschillende sectoren nemen computers taken over, maar er ontstaan ook nieuwe taken waar werkzoekenden niet altijd voor zijn opgeleid.
In andere sectoren speelt vooral vergrijzing. In de logistiek en het transport werken veel oudere werknemers die de komende jaren met pensioen gaan. Werkgevers moeten daardoor nieuw personeel zoeken, maar dat vinden zij lang niet altijd, omdat werkzoekenden niet over de juiste vaardigheden beschikken. Diploma- en functie-eisen vormen volgens het UWV voor veel werkzoekenden een drempel. Het instituut pleit daarom voor een zoektocht naar personeel die meer kijkt naar wat mensen kunnen, los van hun opleiding.
Het UWV roept werknemers, werkgevers en de overheid op om meer in te zetten op omscholing en bijscholing. Duveen zegt dat die oproep al enkele jaren klinkt, maar dat het UWV dit keer nadrukkelijker wil zijn. «We zien dat de arbeidsmarkt nog sneller verandert dan eerst. Het is echt noodzakelijk dat werkenden zich blijven ontwikkelen, ook als ze momenteel een baan hebben. Je weet tegenwoordig gewoon niet hoe je huidige functie er over vijf jaar uitziet.»
Werkgeversvereniging AWVN herkent de boodschap. «Levenslang leren, leren en ontwikkelen, ontwikkelbudgetten: het staat al decennia in cao's», zegt woordvoerder Jannes van der Velde. «Maar het lukt steeds maar niet om het echt van de grond te krijgen.» Volgens AWVN weten werkgevers soms niet goed hoe ze scholing moeten organiseren. Wanneer scholing wordt aangeboden, maken werknemers er niet altijd gebruik van. Van der Velde: «Als je tevreden bent met je baan en je goed verdient, waarom zou je dan nadenken over hoe je baan er over tien jaar uitziet? Terwijl dat juist wél is wat je moet doen.»
Om scholing effectief te maken, moeten werkgevers hun personeel volgens het UWV ook opleiden voor andere sectoren. Dat gebeurt al incidenteel, bijvoorbeeld in de financiële sector. Daar verdwenen de afgelopen jaren veel functies. Van der Velde: «Die mensen moesten iets anders gaan doen. Er is toen geld beschikbaar gesteld voor omscholing.» Dat kan ook voor werkgevers voordelig uitpakken. Toen reorganisaties in de financiële sector aankwamen, vertrokken veel werknemers vrijwillig omdat zij elders werk hadden gevonden, soms dankzij die omscholing, in een andere sector.
4