Het mobieltjesverbod dat twee jaar geleden op basisscholen in Nederland werd ingevoerd, heeft online pestgedrag onder kinderen nauwelijks teruggedrongen. Dat blijkt uit een rondgang van het NOS Jeugdjournaal langs tientallen basisscholen. De meeste scholen zien weinig vooruitgang. Het pesten verplaatst zich vooral naar groepschats op platforms als Snapchat en WhatsApp, waar kinderen worden buitengesloten, uitgescholden of lastiggevallen met nare opmerkingen. Ook worden foto's van leerlingen gedeeld, waarbij met AI bewerkte beelden een steeds grotere rol spelen.

Volgens deskundigen is online pesten doorgaans ernstiger dan offline pesten. Tessa Kaufman, socioloog en pedagoog aan de Universiteit Utrecht, legt uit dat het vaak gaat om kinderen die al in de klas worden gepest en vervolgens ook online het doelwit worden. «Eerder kon je de schooldeur achter je dichtdoen en dan had je even rust», zegt Kaufman. «Nu kun je er niet meer aan ontsnappen, het gaat gewoon altijd door.» Daarnaast maken kinderen op sociale media heftigere opmerkingen dan op het schoolplein en is de drempel om door te gaan met pesten een stuk lager. «Degene die pest heeft vaak niet door hoe snel iets zich online kan verspreiden», aldus Kaufman. «En je ziet de gezichtsuitdrukking van de ander niet, je ziet je klasgenootje niet, waardoor je niet doorhebt hoe verdrietig iemand wordt.»

Remco Spithoven, lector online weerbaarheid bij Saxion Hogeschool, herkent dat het pestgedrag online heftiger is geworden. Hij ziet dat kinderen online over het algemeen veel ongeremder zijn. «Er zit een schermpje tussen», zegt hij. «Kinderen weten niet wat ze de wereld in slingeren.» Bovendien is de schade online snel aangericht. Een kind kan één keer een foto of opmerking plaatsen, maar die kan daarna duizenden keren worden gedeeld. Het gepeste kind wordt daardoor keer op keer met de beelden geconfronteerd. «Kinderen zijn zich niet altijd bewust van hoe heftig dat is: iets gaat niet zomaar meer weg», stelt Kaufman. Dat maakt het extra schadelijk. «Dat voelt zich extra alleen, juist omdat het weet: heel veel mensen zien dit. En tegelijkertijd leest een kind zo'n bericht vaak alleen op zijn telefoon. Dat maakt het extra eenzaam.»

Wat online gebeurt, gebeurt veelal zonder toezicht, waardoor kinderen vrij spel hebben. Kaufman merkt dat veel volwassenen niet goed weten hoe ze met de online wereld van kinderen moeten omgaan. Online ontwikkelingen gaan snel en volgens haar lopen ouders en het onderwijs achter de feiten aan. De huidige lespakketten zijn volgens Kaufman niet toereikend. Uit de rondgang blijkt dat ouders vaak naar de scholen wijzen en scholen naar de ouders voor de oplossing. Een basisschool benadrukte zich soms een soort recherchebureau te voelen. «Dan moeten we uitzoeken wie wanneer wat heeft gezegd.» Volgens de school zou het helpen als ouders beter letten op wat hun kinderen online doen.

Spithoven en Kaufman benadrukken dat ouders meer verantwoordelijkheid moeten nemen. «Begeleiden, monitoren, meekijken», zegt Spithoven. Dat kan bijvoorbeeld met toezichtsoftware, maar ook het actief aangaan van het gesprek met het kind helpt. «Ouders denken vaak: als mijn kind iets naars meemaakt, komt het wel naar me toe. Maar dat is echt naïef», aldus Spithoven. Hij adviseert ouders om op een rustige manier te vragen naar de ervaringen van hun kind: «Wat kom je tegen? Wat zie je? Wat maak je mee?» Daar moet structureel aandacht voor komen, beamen de deskundigen. Vernieuwde lespakketten op scholen kunnen nut hebben, maar de verantwoordelijkheid moet ook bij de ouders komen te liggen.

2Weergaven

Auteur

Politiek verslaggever

Sanne de Vries — politiek verslaggever, Kernblik.