De parlementaire enquêtecommissie naar de coronacrisis kreeg deze week een inkijkje in de onderlinge verhoudingen binnen het kabinet-Rutte III. Uit appjes van ministers Ferd Grapperhaus, Hugo de Jonge en premier Mark Rutte blijkt dat zij zich achter de schermen laatdunkend uitlieten over collega’s en Kamerleden. De oud-bewindspersonen verklaarden dat de berichten vooral voortkwamen uit frustratie en geen invloed hadden op hun beleid.
Zo schreef oud-minister van Justitie Grapperhaus in een appje aan De Jonge dat collega-minister Arie Slob van Onderwijs ‘een soepjurkje’ en ‘een jankerd’ was. Over de burgemeester van Nijmegen, Hubert Bruls, schreef hij dat die ‘de ziekte kon krijgen’, en de burgemeester van Breda, Paul Depla, had volgens hem ‘geen ruggengraat’. Grapperhaus zei tegen de commissie dat het ging om het ‘afreageren van frustraties’ en dat dit niet bepalend was voor hoe hij de genoemde personen behandelde.
Ook De Jonge, die tijdens de crisis minister van Volksgezondheid was, gebruikte stevige taal. Hij noemde oud-collega Kajsa Ollongren, toen minister van Binnenlandse Zaken, ‘een bak grind in de machine van ieder besluitvormingsproces’. De oud-minister erkende dat dit ‘niet erg gepast’ was en sprak eveneens van frustratie. Eerder werd al een appje van Rutte aan De Jonge openbaar waarin hij schreef: ‘Samen met Ferd tegen de rest, heerlijk.’ Rutte zei daarover dat er niet te veel achter gezocht moest worden.
De spanning was wederzijds. Ollongren appte rond de discussie over de avondklok: ‘Ze creëren een sfeer alsof je een landverrader bent als je tegen een avondklok bent.’ Ze noemde dat een ‘verzuchting’ in ‘the heat of the moment’. Uiteindelijk stemde zij ‘met frisse tegenzin’ in met de maatregel, maar verzekerde de commissie dat ze daarbij niet onder druk was gezet door andere kabinetsleden.
De appjes laten zien dat het zogeheten kernteam, bestaande uit Rutte, De Jonge en Grapperhaus, soms tegenover andere bewindslieden stond. Toch verklaarden bijna alle verhoorde oud-bewindspersonen dat ze ruimte voelden om hun geluid te laten horen. Oud-vicepremier Carola Schouten zei dat er vaak weinig ter discussie viel te stellen, niet omdat het niet mocht, maar vanwege de ‘smalle marges’. Het voorkomen van een ‘Bergamo-scenario’, waarbij ziekenhuizen overliepen, beheerste de besluitvorming.
Ook over het parlement werden harde woorden gesproken. De Jonge appte over een aankomend debat in de Eerste Kamer: ‘Ruk.’ Senatoren zouden ‘de brandweer’ hinderen in een crisis. ‘Ooit zullen ze hiervoor gestraft worden. In het hiernamaals of misschien wel eerder.’ Grapperhaus schreef bij een ander debat dat hij ‘diepe minachting’ had voor ‘deze geriatrische beunhazerij’.
Uit de Tweede Kamer kwam wel degelijk een tegengeluid, maar dat had beter gekund, zei oud-SGP-leider Kees van der Staaij in zijn verhoor. ‘Het is vaak een reflex in een crisisperiode dat de Tweede Kamer de regering veel ruimte geeft.’ Oud-VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff bevestigde dat het Kamerwerk in de begintijd ‘reactiever’ was en het kabinet ‘veel ruimte’ kreeg. Pas later werd alles weer ‘politieker’. Oud-PVV-Kamerlid Fleur Agema stelde dat besluiten zondags in het Catshuis werden genomen en dat in 95 procent van de gevallen daarmee het laatste woord was gezegd.
Oud-minister Schouten betoogde dat er na verloop van tijd meer ruimte kwam voor andere afwegingen, maar misschien niet genoeg. Volgens haar hadden verschillende fases van de pandemie onderscheiden moeten worden. ‘Past de aanpak die we hebben nog bij deze fase?’, had vaker de vraag moeten zijn.
Oud-SCP-directeur Kim Putters, die deze week ook getuigde, wees op de ‘meervoudige’ crisis. Naast gezondheid ging het ook om economie en leefomgeving. Het SCP had gegevens over sociale en maatschappelijke gevolgen, maar die waren moeilijk te vergelijken met cijfers over besmettingen of ic-bedden. ‘Onze eenzaamheidscijfers zijn geen dagkoersen’, zei Putters. De RIVM-cijfers waren harder en makkelijker in het gebruik. De Jonge erkende dat er sneller andere adviseurs betrokken hadden moeten worden, maar betwijfelde of dat tot ander beleid had geleid. Putters pleitte ervoor langetermijneffecten zoals leerachterstanden en mentale gezondheid de volgende keer een ‘meer zichtbare plek’ te geven. ‘De samenleving goed meenemen in de dilemma’s is echt cruciaal.’